— Haro Kraak

Fraudeurs doen het voor de kick

Emeritus hoogleraar André Köbben weegt zijn woorden voorzichtig, want er staat veel op het spel. Door bedrog is het vertrouwen in de wetenschap tanende. Volgens de commissie Levelt heeft de Tilburgse hoogleraar Diederik Stapel gegevens van ten minste dertig artikelen gefingeerd. De 86-jarige Köbben weet waar hij het over heeft, hij is de eerste in Nederland die fraude in de wetenschap serieus aan de kaak stelde. Het boek dat hij samen met Henk Tromp over het onderwerp schreef, treffend getiteld De onwelkome boodschap, veroorzaakte in 1999 een hoop commotie. “Je moet impopulaire dingen durven zeggen.” 

Het beeld dat cultureel antropoloog Köbben schetste, dat wetenschappers op grote schaal kleine zonden begaan, zou overtrokken zijn, zo slecht was het niet gesteld met de academische wereld. Dat benadrukte ook Robbert Dijkgraaf bij Knevel & Van den Brink op 8 september jongstleden. De president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen was er om te praten over Diederik Stapel, de sociaal psycholoog die op grote schaal gefraudeerd zou hebben. Dijkgraaf zei dat de zaak slecht is voor het imago van de wetenschap, maar dat het gelukkig zelden voorkomt.

Köbben: “Daarin heeft hij gelijk en ongelijk. Al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog heb ik een map, daarin verzamel ik gevallen van bedrog in de wetenschap. Dat is een dikke map. Maar Dijkgraaf heeft wel gelijk dat het betrekkelijk weinig voorkomt, je moet het afmeten aan de kolossale hoeveelheid artikelen die jaarlijks geproduceerd worden.”

Maar dat zijn alleen de gevallen die aan het licht komen.

“Natuurlijk. Het geval van René Diekstra is wat dat betreft wel aardig, die heeft vijftien jaar geleden op grote schaal plagiaat gepleegd. Dat was een donderslag bij heldere hemel. Ook voor zijn collega’s. Toen zei één van hen: “In een eeuw lang is het maar vier keer voorgekomen.” Hij had moeten zeggen: “In twee jaar is het maar vier maal ontdekt.” Dat wil niet zeggen dat het maar vier keer is gebeurd.

“Je kunt volhouden dat het naar verhouding weinig voorkomt. Tenminste als je alleen kijkt naar de ernstige gevallen. Stapel is een ernstig geval. Ik noem dat de doodzonde: fraude en plagiaat, puur bedrog. Maar er zijn ook dagelijkse zonden. Die veelvuldig voorkomen, veel vaker dan die ongelofelijke prestatie van die Stapel. Dingen mooier voorstellen dan ze zijn, net een dingetje dat strijdig is met de hypothese weglaten, toegeven aan de wil van een opdrachtgever, dat soort dingen. Mijn stelling is dat die veelheid kleine dagelijkse zonden erger is voor de wetenschap dan het betrekkelijke aantal van de doodzonden. Maar men vergeet dat, want de doodzonden zijn zo spectaculair.”

De doodzonde van Stapel heeft Köbben erg gefascineerd. “Die man moet gedacht hebben: ik loop een keer tegen de lamp. Ik blijf het verbazend vinden hoe hij te werk ging. Als je ziet wat hij in een jaar gepubliceerd heeft, dan denk je: dat kan toch niet. Zijn collega’s hadden aan de bel kunnen trekken. Maar die waren voornamelijk jaloers.” Toch verwijt Köbben de promovendi en co-auteurs met wie Stapel heeft samengewerkt niet. “Je kunt het hoogstens klungels noemen, naïevelingen.” Het is er de cultuur niet naar om je collega’s te verdenken van fraude. “En dat is een begrijpelijke cultuur.”

Köbben is een genuanceerd man. Hij oordeelt niet snel, ook niet in het geval van Stapel. Hij toont zelfs bewondering voor fraudeurs als Stapel. “Het zijn meestal briljante mensen, ze schrijven heel gemakkelijk. En ze zijn heel overtuigend. Van publicatiedruk hebben dat soort grote geesten geen last.” Köbben wijt dergelijk gedrag aan verslaving. “Ze doen het voor de kicks. Het is net als een gokverslaafde. Die weet best dat het niet verstandig is, maar hij doet het toch.” Even pauzeert Köbben om zichzelf te verbeteren. “Maar ik weet het ook niet allemaal hoor.”

Als er iemand over de kwestie Stapel een mening zou mogen hebben is het Köbben. Toch behoedt hij zichzelf voor boude uitspraken. “Ik heb dat niet onderzocht”, is een antwoord dat hij meerdere malen geeft. En dat zouden meer mensen moeten doen. “Je ziet vaak dat een psycholoog z’n mening geeft”, zegt Köbben, “over iets wat hij niet onderzocht heeft. Dat moet je niet doen. Je moet durven zeggen: dat weet ik niet.”

Dat soort ongefundeerde meningen tasten het vertrouwen in de wetenschap aan, net als fraude en bedrog. Met name de sociale wetenschap, zijn vakgebied, staat onder druk. Arnon Grunberg schreef in zijn dagelijkse column in de Volkskrant: “Het amateurisme waarmee de sociale wetenschappen worden uitgevoerd is choquerend. (…) Sociale wetenschappen zijn de voortzetting van de romankunst, zonder weinig andere middelen. En met weinig gevoel voor esthetiek.”

Köbben: “Dat is typisch Grunberg. Dé sociale wetenschappen, dat is veel te breed,

Hij kan het zich veroorloven, want hij is maar een columnist, hij is maar een romanschrijver.”

Maar heeft hij geen punt?

“Er zijn bepaalde vormen van sociale wetenschappen waar ik weinig fiducie in heb. Mensen in de sociale wetenschappen hechten vaak veel waarde aan de representativiteit, maar niet aan de validiteit. Dus wel: heb ik voldoende mannen en vrouwen, uit steden en van het platteland? Heb ik een representatieve steekproef? Maar dan stelt men vragen. Ik kan me herinneren dat iemand had gevraagd aan Marokkanen: gebruikt u alcohol? En die zeiden allemaal nee. En toen schreef hij in zijn proefschrift: Marokkanen gebruiken geen alcohol. Mensen geven vaak sociaal wenselijke antwoorden, daar moet je rekening mee houden.”

Stapel heeft ooit gezegd: “Tachtig tot negentig procent van de artikelen in mijn vakgebied is het papier waarop ze gedrukt zijn niet waard”. Wat denkt u van het niveau van het werk van Stapel?

“Dat vind ik een heel interessant punt. Wat ik tot dusver gelezen heb vind ik erg triviaal. Maar ik weet niet hoe hij onderzoek deed. Ik denk dat hij met vragenlijsten werkte. Zoiets als: bent u zeer tegen, neutraal, positief of zeer positief. Dat is te makkelijk. Je kiest de uitkomsten zo uit dat je een significant verschil hebt en je bent klaar. Veel beter is de antropologische benadering, participerende observatie, dat kun je bijna niet fingeren. Je moet niet alleen gegevens van een enquête verzamelen. Dat leidt meestal tot steriele en oninteressante conclusies. En het leent zich makkelijker voor bedrog. Je hoeft alleen wat cijfertjes te veranderen”

Moeten we ons zorgen maken over het groeiende wantrouwen in de wetenschap?

“Ach, het valt wel mee. Ik hoop niet dat er morgen weer zoiets gebeurt. Maar ik denk niet dat de wetenschap echt ter discussie staat. Je kunt zeggen over fraudeurs: op den duur lopen die mensen altijd tegen de lamp.”

Gelooft u daarin?

“Dat weet ik niet.”

 

Verscheen eerder in Folia

0 comments
Submit comment