— Haro Kraak

Onder de brug is wiet kopen kinderlijk eenvoudig

‘Ça va? Wie geht’s? Deutsch? Deutsch?’ roept een jongen in de schaduw van de Wilhelminabrug. ‘Oh, Nederlanders, willen jullie een zakje wiet?’ Midden op de dag zit de jongen met vijf vrienden aan de Maasboulevard in het centrum van Maastricht.

De jongens vragen twintig euro. ‘Voor jou veel, voor mij weinig’, zegt een van hen. Twee minuten later, na enig onderhandelen, wordt de wiet met tegenzin voor tien euro weggedaan. Een jongen met ontbloot bovenlijf vouwt het elastiek van zijn broek om, waar hij zijn voorraad verstopt heeft. Als hij een van de wietzakjes gepakt heeft, valt zijn bezwete buik weer over de blauwe boksbroek heen.

Het is in Maastricht kinderlijk eenvoudig om op straat wiet te kopen. Sinds de invoering van de wietpas op 1 mei heeft de handel zich verplaatst van de coffeeshop naar de straat. Slechts 15 procent van de voormalige klanten van de coffeeshops heeft zich geregistreerd. De meeste coffeeshophouders melden een omzetdaling van 90 procent. In heel Limburg zijn sinds 1 mei ruim vierhonderd mensen aangehouden wegens illegaal dealen of het kopen van wiet. Elke dag houdt de politie een paar dealers aan.

Nog geen tweehonderd meter van de Maasboulevard wenkt een man in een bloemetjeszwembroek. Hij maakt een rookbeweging met twee vingers aan zijn lippen. Volg me, gebaart hij. Met zijn fiets in de hand beent hij een woonwijk in, waar hij de eerste steeg induikt. Hij houdt zijn zonnebril met donkeroranje glazen op. Uit zijn heuptasje haalt hij een zak wiet. Vijftig euro voor vijf gram, zegt hij in het Frans. Hij opent het zakje en duwt het onder de neus. Ruik maar, het is goed spul, verzekert hij.

‘De meeste coffeeshops zijn dicht’, vertellen de jongens onder de brug. Een van hen, met een rode zwembroek en een ringbaardje, wijst naar rechts. Daar liggen de drijvende coffeeshops Smoky en Mississippi. De eerste heeft rood-wit lint gespannen voor de loopplank naar de ingang. ‘Tijdelijk gesloten’, staat in vier talen te lezen achter de ramen van coffeeshop Easy Going in de binnenstad. En: ‘Indien je permanente registratie niet wenst, moet je volgens Ivo Opstelten maar naar het illegale circuit gaan.’

Voor de dichte shops hangen nu types als de Fransman met de fiets, die feilloos zijn potentiële klanten herkent. Op de pleinen spreekt hij jonge toeristen aan. Als hij beet heeft loopt hij één van de zijstraten in, een paar meter voor de klant uit, om even later weer te verschijnen en zijn werk voort te zetten.

‘Natuurlijk heb ik geen wietpas’, zegt een van de dealende jongens onder de brug. Op zijn armen prijken tatoeages. ‘Hoe moet ik dan nog werk vinden?’ De jongens kennen de verhalen. Bij controle moeten coffeeshophouders de ledenlijst overleggen aan de autoriteiten. Zo gebruikte de politie in Breda de lijst om te checken of leden nog openstaande boetes hadden.

De Maasboulevard is voor drugsgebruikers een bekende locatie. ‘Dit is de meest commerciële plek’, zegt ook de jongen met het ringbaardje. ‘Ik zit hier niet altijd hoor, ik ga ook naar school’, voegt hij er snel aan toe. ‘Ik ga niet naar school’, zegt de jongen naast hem. ‘Je kunt me hier 27 uur per dag vinden.’

Ook de politie weet wat er zich onder de brug afspeelt. ‘We kunnen niet 24 uur per dag op dezelfde plek zijn’, zegt een woordvoerder van het korps Zuid-Limburg. Vroeg in de middag op deze doordeweekse dag is er geen agent te bekennen. Dealers hebben urenlang vrij spel. De plek onder de brug is van alle kanten van wel honderd meter afstand in de gaten te houden, maar het zestal vreest niets. Tijdens de transactie kijken ze niet op of om.

De wiet van 10 euro weegt 0,8 gram, laat de eigenaar van een coffeeshop weten. Hij wil niet met zijn naam in de krant, want ‘ze zijn al eerder met een mannetje of vier, vijf langsgekomen’ nadat hij over de straathandel geklaagd had. Hij pakt de wiet van de weegschaal en ruikt er even aan. ‘Gewone wiet, niets speciaals.’ Niet zo sterk als je bij hem koopt, en net iets duurder. Voor een gram ‘goede’ Jack Herrer betaal je bij hem 11 euro.

Er zit één klant in de coffeeshop, een oude man met cowboyhoed en bruine, trillende tabaksvingers. Alleen hierbinnen is de prijs en de kwaliteit van de drugs gegarandeerd. ‘Toch kopen veel van mijn vroegere klanten liever op straat, dan dat ze zich registreren’, zegt de eigenaar. De cowboy beaamt dat, je weet immers nooit wat de overheid met je gegevens doet.

‘Als mijn klanten niet snel terugkomen, wordt dit een lijdensweg’, zegt de coffeeshophouder. Zijn maand-omzet is 5 à 10 procent van wat die voor de invoering van de wietpas was. En de straathandel is ‘bij de beesten af’. ‘Die gastjes bieden heus niet alleen wiet aan. En er worden minderjarigen ingezet. Die staan zo weer op straat als ze worden opgepakt.’

Op de Markt bij het Stadhuis staat de Fransman met de fiets tegen een boom geleund. Schichtig kijkt hij om zich heen. Hij spreekt een toerist in een polo en met een rieten hoed aan. Vervolgens sluipt hij de Kleine Gracht op. In zijn kielzog volgt de jongen. Drie minuten later staan ze weer op het plein.

In het contact met de straatdealers hebben de verslaggevers zich bij uitzondering niet bekendgemaakt. Alleen zo konden zij een natuurlijk beeld krijgen van hoe de straathandel draait.

Haro Kraak en Merijn van Nuland

 

Verscheen op 30/07/2012 in de Volkskrant

0 comments
Submit comment