— Haro Kraak

Rookworst

Dit huis ruikt naar rookworst, zeggen ze. Ga er maar aan staan.
Ik vind dat niet leuk om te horen. Een huis hoort naar eikenhout te ruiken. Of naar verse bloemen. Misschien naar natte hond. Maar niet naar rookworst. Liever nog naar suddervlees. Of stroganof. Dat eten wij soms.
Bij rookworst denk ik aan de Hema. Aan zo’n papiertje met vetvlekken. Aan Franse mosterd in een plat zakje en aan een vol gevoel. Rookworst doet mij denken aan die stomme woordgrap. Rookworst zonder r is ook worst, zeggen ze dan. Flauw vind ik dat. Ik lach niet mee.
Dit huis heeft niks met rookworst van doen. Dit is mijn huis. Ik woon hier en ik ruik niks. Ik vind het hier fijn.

Ik hoor: “We zitten bij het huisje achterin.”

In korte broek loop ik de trap af. Grote stappen, twee treeën per keer. Mijn hand glijdt over de groeven van de trapleuning. Als ik bij de onderste tree ben aangekomen ga ik iets door mijn knieën en zet af. Ik spring de zitkamer in, waardoor ik een stukje van de gang oversla. Dat moet.

Ze zeggen: “We moeten even praten.”

Ik sta tegen de achterdeur geleund. Met mijn neus op het glas. Het beslaat als ik uitadem. En klaart dan weer wat op. Tot de volgende adem.
Ik open de deur naar de tuin. Ik veeg mijn schoenen voordat ik verder loop. De koude lucht kruipt mijn korte broek in. Ik hoor het bevroren gras kraken onder mijn zolen. Ik voel dat ik er bij elke stap doorheen zak. Als ik naar beneden kijk zie ik platgestampte wit uitgeslagen grassprietjes met het reliëf van mijn schoenzolen. In spiegelbeeld. Met moeite lees ik: “Converse”.
De haartjes op mijn benen staan recht overeind.

“Het is niet altijd makkelijk”, wordt mij verteld.

Het mooie van een korte broek zijn de blote benen. Die zie je meteen. Twee van die witte kuiten. Niet te missen. Zelfs als je er elke dag een aanhebt. Je ziet ze kijken. Hij heeft een korte broek aan, denken ze. Klopt, denk ik terug. Dat heb jij heel goed gezien.
Mannen hebben lelijke kuiten. Mijn vader ook. Spierwit, versierd met paarse spataderen. Als een witte landkaart met rode weggetjes en blauwe riviertjes. Ze kruisen elkaar en ze vertakken. Maar die van mij niet. Ze krijgen het hele jaar door zonlicht en hebben een gezonde kleur. Ze zijn glad, haarloos en prettig gespierd. Niet zo’n pezige wielrennerkuit, gewoon een nette jongenskuit. Laat ze maar kijken. Ik ben trots op mijn kuiten. En ik kijk niet terug.
Als ik het haal dan kan niemand mij het nog afpakken. Nog drie weken en dan is het zover.
Een jaar lang in korte broek gelopen.

“Weet je wel dat we heel veel van je houden?”

Je kan rondjes om dit huis lopen. En dat doe ik ook. Het is vrijstaand, zoals dat heet. Net als alle andere huizen in de straat. Elk huis is anders hier. Van binnen en van buiten. Het lijkt me verschrikkelijk als je buren hetzelfde huis hebben. Alsof er midden op straat een grote spiegel staat. Jij kijkt naar de overkant, maar ziet jezelf. Met allerlei trucjes proberen mensen zich te onderscheiden. Naambordjes, auto’s, kerstverlichting. Alsof je eigen huis afgepakt wordt. Kijk, zo kan het ook, zegt het huis als je binnenkomt. Vind je het niet veel mooier zo?

“Je hoeft nergens bang voor te zijn”, zegt zij.

Ik heb eigenlijk heel weinig met korte broeken. Het is meer dat ik er toevallig een aanhad, die dag. En die daarna niet meer uit wilde doen. Het was een zondag en ik was toch niet van plan om naar buiten te gaan. Niet met dat weer.
Ik loop elke dag in korte broek met dezelfde reden: ik wil dat ze zien dat het nooit meer hetzelfde zal zijn. Woorden zijn daar niet geschikt voor. Als iemand me vraagt waarom ik geen normale broek aan doe zeg ik: “Gewoon.”
Maar op school vragen ze dat niet meer. Ze weten dondersgoed waarom.
Hier ook.

“Het is niet jouw fout hè, dat weet je”, zeggen ze.

Gepest word ik niet. Ik ben buitenaards. Onschendbaar. Als ik de school binnen kom voel ik dat de sfeer omslaat. Daar is hij weer. Met z’n korte broek. Ze kijken naar mijn kuiten. Die zijn nog mooi.
Mijn korte broek is mijn schild. En niks dringt binnen in mijn schild. Alles ketst af.

“Je moet de dingen niet opkroppen.”

De tuin is stil. Er is niemand behalve ik. De kou in de lucht lijkt de geluiden te absorberen. Een optrekkende auto. Een gillend kind. Het ruisen van de bladeren.
Maar dat is niet hier. Hier staat het stil. Als je dat wilt.
Ik loop terug richting het huis en leg mijn oor op de ruit. De waas die zojuist nog het raam besloeg heeft nu ook de lucht in z’n greep. Witte lucht komt uit mijn mond, uit mijn neusgaten. Ik blaas harder en de wolk wordt groter. Ik ben mijn eigen rookmachine. En ik vaar in de mist.
Er klinkt klassieke muziek vanuit de woonkamer. Mozart waarschijnlijk. Dat draaide mijn vader altijd op zondagochtend. Daarom staat het nu ook op, denk ik.

Ze vraagt: “Wil je nog een kopje thee?”

Ook mijn schenen mogen er zijn. Recht en gaaf. Er zit al wel wat haar op, maar dat hoort erbij. Gevoelig zijn ze wel, helaas. Kickboxers kunnen daar op trainen heb ik gehoord. Die schoppen net zo lang tegen een lantaarnpaal totdat ze gevoelloos zijn. Op hun scheenbenen dan. Dat zeiden ze op tv. Maar ik geloof er niks van. Hoe meer ik trap, hoe meer pijn het doet.
Op mijn enkels heb ik ’t niet zo. Te knokig. Maar daar heb ik wat voor. Ik draag hoge All Stars, zodat je ze niet ziet. Daarmee heb ik ook gelijk dat probleem opgelost van korte broeken en sokken. Dat ziet er niet uit. Maar van blote voeten in je schoenen krijg je stinkpoten. Mijn sokken zitten verstopt. Mijn voeten ruiken fris.

“We hebben dit nooit zo gewild.”

Geurtjes, daar heb ik wat mee. Dat heb ik van mijn moeder. Wij ruiken alles. Dat kan heel storend zijn. Ik kan de meeste mensen niet luchten. Mannen met eau de toilette, dat gaat zelden goed. Vieze zoete snoepluchtjes van pubermeisjes. Als ze langsfietsen ruik je het dertig meter verder nog. Of puberdeodorant, in zo’n spuitbus, breek me de bek niet open. Vieze mensen zijn het, pubers. Ik hoop dat ik er nooit een word.
Die rookworstlucht komt van de openhaard. Je ziet dat het hout daarboven verkleurd is en dat het oppervlak gerimpeld is. De scheuren in het hout spreken boekdelen. Hier is iets mis. Maar ik ruik het dus niet.
Je kan jezelf niet ruiken. Je weet niet wat je eigen geur is. Je lichaamsgeur. Je merkt het, als je kleren van anderen leent. Broers, zussen, vaders, moeders, ze hebben een gezamenlijk luchtje. Een familiegeur. Je trekt die trui over je hoofd en je weet het meteen: “Ah, de geur van de familie Zevenbergen!”
Maar goed, daar wringt het dus, want blijkbaar ruiken wij naar rookworst. Je kan draaien wat je wilt, maar dat is geen compliment. Dat zou ik alleen zeggen als ik iemand pijn zou willen doen. Je ruikt naar rookworst.

“Niemand is heilig”, wordt mij verzekerd.

In de keuken is het warm. Mijn adem is doorzichtig. Harder blazen heeft geen zin, dus ben ik zuinig op mijn lucht.
Mijn moeder is in een goede bui. Ze zegt: “Lekker weertje, hè.”
Ik zeg niks. Ik glimlach.
We zitten een tijdje aan de keukentafel met ieder een kop thee. We zeggen niks. Mijn moeder kijkt naar buiten en snuit af en toe haar neus. Ik luister naar Mozart, of wie het ook is.

“Ik ben met een andere vrouw geweest”, zegt hij.

Ik loop weer naar boven. Twee treeën per stap. Beide handen aan de leuningen dit keer. Ik trek mezelf bij elke stap op, want twee treeën is eigenlijk te veel voor mij. Bovenaan blijf ik stilstaan en leun iets naar achter. Totdat ik voel dat ik bijna val en dan zwaai ik mijn armen en gooi mijn lichaam naar voren.
Ik stap mijn kamer binnen. In een hoekje ligt een spijkerbroek. Een lange broek. Mijn lievelingsbroek. Ik heb hem nooit opgeborgen, nooit opgevouwen en in mijn kast gedaan. Hij ligt daar nog van de avond daarvoor.
Nog drie weken en dan trek ik hem weer aan. Dan fiets ik weer rustig naar school. Geen haast. Geen kou. Geen blikken. Nog drie weken.
Maar nu nog even niet.

“Het spijt me zo”, zegt mijn vader.

Ik snuit mijn neus. Het snottert van een jewelste. Ik ruik niks. Ik hoor alleen de lucht door mijn neus trekken, luid als gedonder. Het zoekt een baan, maar vindt hem niet. Potdicht.
Door de tranen zie ik niet goed. Ik kijk naar de kop thee in mijn handen. Ik zie druppels vallen en het oppervlak rimpelen. Ik kijk naar mijn blote knieën. De haartjes staan recht overeind. Het theewater klotst tegen de rand.
Niemand weet iets te zeggen. Mijn vader kijkt naar buiten. Dan vraagt hij: “Waarom heb je eigenlijk een korte broek aan met dit weer?”
“Gewoon”, zeg ik.

 

Inzending voor de finale van Write Now 2011

Hecht je veel waarde aan leesbaarheid? Klik hier voor een pdf

0 comments
Submit comment