— Haro Kraak

Schemerblind

Mijn hart klopte in mijn slapen, zo snel ging ik. Ik fietste op de Middenweg en voelde de wind langs het zweet op mijn onderrug gaan. De weg was lang en kaarsrecht. Ik haalde de tram in en een jongetje volgde me met zijn blik vanachter de ruit, zijn hoofd ging van links naar rechts. Even zag ik mezelf door zijn ogen.
Op dat moment ging het luchtalarm.

Omdat er verder niets ernstigs leek te gebeuren, wist ik het zeker: het is maandag. De lucht bleef leeg, al konden er boven de wolken best gevechtsvliegtuigen vliegen – dat was niet te zien. Ik hoorde in ieder geval niets. Ik hield vast aan die ene zekerheid: maandag, twaalf uur.

 Vroeger wist ik elk moment van de dag hoe laat het was. En werd ik wakker vijf minuten voordat de wekker ging. De laatste weken zwem ik in de tijd. En dan bedoel ik niet dat ik er zeeën van heb.

Het alarm stopte even abrupt als het was begonnen. De tram wachtte bij de halte en ik had nu echt een flinke voorsprong. Hoe verder ik vooruit keek, hoe beter ik het verkeer kon controleren. Ik concentreerde me op de auto’s, de fietsers, de voetgangers, en bracht ze in beweging. Rakelings scheerden ze langs elkaar. De mensen leken elkaar voort te stuwen als tandwielen. In de verte stopte een scootmobiel. Ik trapte harder en harder op mijn pedalen, maar de scootmobiel bewoog niet. Mijn banden piepten op het asfalt, vlak voor de man zijn neus.

Hij zei: Wie door rood rijdt, brengt zichzelf in verlegenheid.

Uit zijn neus groeide een witte haar.

Ik wilde zeggen: Rijmpjes zijn voor randdebielen.

 

Of ik niet eens naar de kapper moet. Ik moet niets. Behalve slapen en eten. En dat hoeft ook niet eens zo vaak als mensen zeggen. Ik kan in ieder geval prima een dag zonder.

Je moet naar de kapper.

Het klopt: mijn haar is lang, er zit geen model in (wat dat ook betekent), maar een mens moet nooit naar de kapper. Ik probeer me te herinneren wanneer ik voor het laatst geknipt ben, maar niets schiet te binnen. Mijn geheugen en ik, dat wil ook niet echt de laatste tijd. Soms kijk ik naar kinderfoto’s van mezelf en denk ik: dat ben ik helemaal niet.

Ik heb het niet zo op kappers. Ze kijken de hele tijd naar je. Ze stellen je vragen, terwijl ze niet in het antwoord geïnteresseerd zijn. Daar is niets mis mee, het interesseert mij ook allemaal niet, maar ik stel geen vragen. Het vervelende aan die vragen vind ik het liegen. Ik kan er niets aan doen. Niet dat ik er wakker van lig, dat komt denk ik door iets anders, maar ik verbaas me er zo over. Waarover een mens kan liegen.

Of ik die film had gezien, vroeg mijn zus laatst. Die met Jack Nicholson.

Ja, zei ik. Vond het maar niets. Kutfilm.

Oh, zei ze en keek op haar telefoon. Ik dacht dat het wel wat voor jou was.

 

De dokter zei dat er vijf dingen zijn die mij kunnen helpen:

- Mijn medicatie nemen

- Elke dag naar de praatsessie gaan

- Regelmatig slapen

- Mijn problemen onder ogen zien (hij bedoelde: mijn problemen niet langer ontkennen)

- Mijn leven ordenen, het liefst met lijstjes

 

Vooral dat laatste sprak me aan. Ik schreef zijn tips meteen op en keek een tijdje naar de vier andere punten, maar was afgeleid en besloot het een en ander op een rijtje te zetten. Ik schreef op: Er zijn dingen die ik niet begrijp.

- Waarom prijzen nog steeds eindigen op 95 cent

- Hoe een vliegtuig opstijgt

- Waarom we geen kanker krijgen van draadloos internet

- Hoe ooit metrotunnels zijn gegraven

- Waarom witte auto’s goedkoper zijn

- Hoe straling eten kan opwarmen

- Waarom er nog steeds geld wordt gedrukt

- Hoe het kan dat tandpasta in drie keurige kleurlagen uit de tube komt

 

Je kunt denken: wat maakt het uit? Maar dat denk ik dus niet. Het maakt uit, dat weet ik gewoon. Het is alsof ik naast een zendmast sta: ik voel het in mijn kop.

Gisteren ging de wintertijd in. Ik kom er niet uit of je tijd wint of verliest. De klok gaat een uur terug. Als je wakker wordt, heb je dus een uur minder kunnen slapen. Dat uur ben je kwijt. Aan de andere kant: als de dag eerder begint, duurt hij langer.

Vroeger had ik hier geen last van. Wat ik toen deed als ik er niet uitkwam: Teletekst kijken. Om drie uur ’s nachts gebeurde het. De klok tikte van 2:59:59 naar 2:00:00. En zo kon je opeens een uur langer wakker blijven. Nu kan ik Teletekst niet meer volgen, want ik heb geen televisie. Dat is beter, zeggen de dokters.

Mijn andere probleem met de wintertijd is het donker. Of beter gezegd: de schemering. Ik kan niet de straat op als het schemert, want dan zie ik bijna niets. Misschien dat mijn ogen zich niet kunnen aanpassen, ik weet niet wat het is. Wat ik weet is dat ik pas weer rustig kan kijken als de zon helemaal onder is.

Zonder dat alles zingt.

Zonder dat ik in de contouren van de gebouwen mijn hartslag zie.

De week voordat ik de klok moet verzetten ben ik niet te genieten. De week erna ook niet. Ik heb er nooit van gehouden, verandering. Misschien zit ik daarom goed hier. Ik weet in ieder geval waar ik aan toe ben. Het enige wat me tegenstaat is het voedsel. Niet dat het vies is, hoewel lekker anders is; het probleem is dat het kant en klaar is. Elke ochtend als ik wakker word, en elke avond als ik de lift weer naar boven neem, staat het dienblad achter het rolluik. Dan trek ik aan het koord om het te openen. Dat vind ik een magisch systeem: je trekt het koord naar beneden en het luik gaat omhoog. Het dienblad hebben ze van buiten neergezet. Daar zit ook zo’n luik. Zo hoeven ze me niet te storen als het eten gebracht wordt.

Op het dienblad zijn de gerechten stuk voor stuk ingepakt in folie. Ik hoef het alleen nog in de magnetron te doen. En daar gaat het mis. Ik eet niets wat in zo’n ding moet. Die straling, dat kan niet goed zijn. Er zijn veel dingen waar ik niets van snap, maar één ding weet ik zeker: van magnetronvoedsel sterf je een pijnlijke dood.

En terecht.

 

In zelfhulpboeken las ik dat je mensen die je pijn hebt gedaan je excuses aan moet bieden. Maar hoe kon ik weten wie ik pijn had gedaan? Soms voel ik me zo afgestompt van de pillen dat ik niet eens weet of ik zelf pijn heb. Ik maakte twee rijtjes.

Leugens waar ik spijt van heb:

- Dat ik niet doorgetrapt had

- Dat mijn ouders zijn overleden

- Dat ik niet was klaargekomen

 

Leugens waar ik geen spijt van heb:

- Dat ik was klaargekomen

- Dat mijn tweelingbroertje in de baarmoeder stierf

- Dat ik gedoopt ben

- Dat het eenmalig was

- Dat ik vroeger geslagen werd

- Dat ik goed kon skateboarden

 

Ik heb toch een afspraak gemaakt. Dat wil zeggen: ik liep langs de kapper en vroeg of hij tijd had. Over een uurtje, zei hij. De zaak was leeg. Misschien schrok hij van mijn kapsel, wilde hij zich eerst mentaal voorbereiden. Of hij dacht: Die hippie wacht maar. Met z’n vieze haar.

De laatste tijd word ik nagekeken. Als ik in de metro zit, voel ik de ogen op mijn lijf. Het is alsof ik bij iedere afwendende blik een klein beetje verdwijn. Als ze wegkijken, nemen ze iets van mij mee. Ik brokkel af.

Iemand zei tegen mij: Je hebt een muur om je heen.

Ik antwoordde: Had ik dat maar.

Om mezelf heel te houden, besloot ik tot actie over te gaan. Ik bekeek mezelf in de spiegel en noteerde:

- Haar tot op de schouders

- Een lange, donkergrijze jas

- Een zwarte spijkerbroek

- Bordeelsluipers

Dat haar was eigenlijk het enige opvallende. Dat moest er dan maar af. Toen ik een rondje door de stad liep, om het uurtje van de kapper te doden, keken de mensen al niet meer naar me. Het was alsof ik even één van hen was.

De kapper zei: Het is wel lang, hè.

Ik knikte, onzeker of het een vraag of een constatering was. En toen zei ik: Het was voor een filmrol. Ik speel een gitarist. Het loopt niet goed met hem af.

Zozo, zei hij. Een acteur in mijn zaak. Dat gebeurt niet elke dag.

Een schaar door mijn haar, dat gebeurt ook niet elke dag.

Hij lachte. Hij droeg een overhemd met korte mouwen en een riem waar hij zijn gereedschap in kwijt kon.

Hij zei: Dat geloof ik zo. Speel je in het echt ook gitaar?

Ja, zei ik. Inmiddels wel. Het moet er wel echt uitzien natuurlijk.

Ach, ik zou het niet door hebben.

Jij niet, nee.

Terwijl hij mijn haar waste bleef het stil. Hij masseerde mijn hoofdhuid en ging met zijn knokkels hard over mijn slapen. Daarna vroeg hij: Hoe wil je het eigenlijk?

Kort, zei ik en wachtte een moment. Ja, alles eraf.

Terwijl ik de lokken zag vallen, dacht ik aan de mensen in de metro. De haren op de grond, ze waren weliswaar niet meer van mij – van hen waren ze in elk geval ook niet. Ik keek in de spiegel en probeerde oogcontact met de kapper te vermijden, maar om nou de hele tijd naar mezelf te kijken, dat leek me ook ongepast. Ik volgde de handelingen van de kapper. Hoe hij clipjes in mijn haar zette en ze even later weer aan zijn riem bevestigde. Hoe hij met de natte kam door mijn haar ging en hoe hij – toen hij bijna klaar was en de vorm van mijn schedel zich duidelijk aftekende – op zijn tong beet terwijl hij secuur met de tondeuse mijn achterhoofd schoor.

 

Vroeger dacht ik: alles wat mensen doen, doen ze voor zichzelf. Nu weet ik: alles wat mensen doen, doen ze voor anderen. Het gaat allemaal om hoe anderen over je denken. Daarom luisteren mensen muziek, lezen ze boeken, gaan ze op vakantie, poetsen ze hun tanden, doen ze hun werk en kleden ze hun kinderen aan. En daarom ging ik naar de kapper.

 

Vanochtend tijdens de sessie hebben we een aantal afspraken gemaakt:

1. Ik luister goed naar de anderen.

2. Ik lieg alleen als ik echt niet anders kan.

3. Ik hou niets vast in mijn handen als ik praat, ook niet de andere hand.

4. Als ik elke dag naar de sessie ga, hoef ik één dag per week mijn pillen niet te nemen.

 

De schaduwen begonnen al langer te worden. Ik fietste op de Rijnstraat, bij het gedeelte waar er stoeptegels tussen de weg en het fietspad liggen. Een vrouw stond precies op dat niemandsland en gooide groene flessen in de glasbak. Ze had een plastic regenjas aan, zo’n jas waar de regendruppels op blijven liggen. Ze keek even in haar tas. Toen draaide ze zich om en zette een stap van de weg af, het fietspad op. Ik reed met mijn knie tegen haar tas en hoorde wat barsten.

Ik greep naar mijn knie en stuurde tegen de volgende glasbak aan. Mijn band rolde over de gekartelde bodem van een fles wit en liep meteen leeg. Met een zucht, noemen ze dat toch? Zo ging het ook, je hoorde de band zuchten van ellende. De vrouw raapte lege potjes pindakaas bij elkaar en deed ze terug in haar tas. Ergens leek ze op een toffee, met haar jas van glimmend plastic. Een toffee in zijn verpakking – klaar om uit te rollen. Ik vermoedde dat ze wat zei, want ik zag haar mond bewegen.

Wat? zei ik en trok de dopjes uit mijn oren.

Heb je haast? vroeg de toffee.

Ik denk het wel. Hoe laat is het?

De toffee stroopte haar mouw op. Tien over half vijf bijna.

Als ik over een paar minuten niet thuis ben, gebeuren er nog meer ongelukken.

De vrouw keek me verward aan. Mijn knie werd warm.

Ze zei: Mensen zouden niet zo moeten haasten.

En ik: Mensen zouden goed moet kijken voordat ze een fietspad oversteken.

Ze deed alsof ze me niet hoorde.

Ik moet op tijd thuis zijn, zei ik. Voordat de schemering inzet.

Ik zag haar kijken naar mijn haar. Ze fronste.

Heb je je pillen niet genomen vandaag?, vroeg ze.

Nee, zei ik. Ik hoef vandaag niet.

Weer die frons.

Het is de wintertijd, zei ik nogmaals. Ik weet nooit of ik er tijd mee win of verlies.

O, zei ze. Daar is een trucje voor hoor. Het woord zegt het al. Wintertijd. Ze zei het nog eens, langzamer. Wint-er-tijd. Ze keek me aan, in afwachting van een reactie die niet kwam. Ze zei: Je wint-er-tijd mee. Begrijp je?

Bedankt, zei ik en ik meende het. Ik zal het onthouden, mevrouw.

Ze lachte. Even stonden we daar in stilte. Bijna wilde ik zeggen dat ik mijn haar net geknipt had. Dat ik er niet altijd als een junk uitzie. Maar ik deed het niet, want ik wist dat ik er meestal wel als een junk uitzie. Ik stapte van mijn fiets – want daar zat ik nog steeds op – en liep de stoep op. Toen zei ik: Ik moet maar weer door.

Ze knikte en hield een boodschappenlijstje omhoog. Ik ook, zei ze.

Onderweg naar huis dacht ik aan de vrouw en haar boodschappenlijstje. Ik dacht ook aan mijn eigen lijstjes. Aan wat ik af kon strepen. Ik dacht aan de kapper en zelfs aan de man met de witte haar uit zijn neus. Ik wist niet wie mij het best kende. Op straat leek niemand mij op te merken. Ik kon het donker al ruiken.

 

Verscheen eerder op De Optimist

Illustratie door Martien Bos 

0 comments
Submit comment