— Haro Kraak

Zondag

Mijn broer neemt ’t niet nauw met de regels. Maar er zijn grenzen, zegt hij. Als ik geen zin heb om die pil in de vierde rij van rechts te leggen, dan doe ik hem toch gewoon ergens anders? Wat zou hem dat schelen? Mijn broer zegt dat hij daar niet wakker van ligt. Of moet Joep het doen? Ben ik soms niet oud genoeg? 

Ik zeg dat ik het prima zelf kan, maar dat ik net al zag dat in de vierde rij van rechts een bamischijf zit en van de vorige keer weet ik dat bamischijven lang blijven liggen. Bamischijven en satékroketten. En ik heb ook nog andere dingen te doen vanavond.

Alsof hij dat niet weet.

Ik denk weer eens te veel na, zegt mijn broer, maar hij geeft me toch het zakje met de rode pil en de aansteker. Ik hou het zakje tegen de muur en tik met de onderkant van de aansteker op de pil. Al snel vult de bodem van het zakje zich met gruis en als ik het zakje opendoe om het gruis in mijn hand te kieperen ruik ik die bittere chemische geur weer, als bespoten kappertjes. Joep krabt aan zijn puisten, terwijl hij mij in de gaten houdt. Net als vorige week volgt hij mijn broer op de voet. Vanavond eet hij weer in een driehoek met zijn ouders aan tafel.

Ik wacht totdat het rustig is en daarna steek ik de straat over. Uit mijn achterzak pak ik de euro en de vijftig cent en doe ze in de gleuf van het hokje op de derde rij van links, de tweede van onder; een broodje kalfskroket. Ik trek het raampje aan de hendel naar beneden, til de kroket op met mijn linkerhand en laat het rode poeder van mijn rechterhand afglijden op het witte bolletje. Dan doe ik of ik me bedenk en duw het raampje weer dicht.

 

Vanavond is het mijn beurt het infuus van vader te vervangen. Mijn broer weet dat als ik dat niet doe vaders suikerspiegel te laag wordt en dat hij dan een beroerte kan krijgen. Dat hij wegzakt, zoals de dokter zegt. Dat hij een man in een zitzak wordt, zegt mijn broer, een man gevangen in een dood lichaam. Ik zeg dat hij dat al is, maar daar denkt mijn broer anders over. Twee keer per week vervangen wij zijn infuus en soms zegt hij dan wat.

Dat ik een vlek op mijn shirt heb, de laatste keer.

Een dikke vrouw met een kinderwagen stopt voor de automatiek en neemt een kalfskroket zonder broodje en mijn broer en Joep tikken elkaar aan van enthousiasme. Dat scheelde niet veel. Ik kijk op de digitale klok in de etalage en denk: maar goed dat ik die pil helemaal verpulverd heb, daardoor slaat hij zeker drie kwartier eerder in. Als het niet meer is. Dat ligt er een beetje aan hoe lang geleden diegene gegeten heeft, maar dat zit meestal wel goed, bij mensen die iets uit de muur trekken.

En dan loopt een man in pak langs en hij kijkt op zijn horloge en vermindert vaart. Hij rommelt wat in zijn zak en kijkt naar de munten in zijn hand. En daarna neemt hij het broodje kalfskroket met het rode gruis. Na twee flinke happen trekt hij een vies gezicht en kijkt naar het broodje, maar het is al te laat en de ragout heeft zich vermengd met het poeder en het paneermiddel. Dus eet hij door.

Mijn broer en Joep vergruizen ook een pil en lossen het poeder op in een flesje water. Ze nemen om de beurt een slok, terwijl we achter de man in pak aanlopen. Als ik het flesje wil pakken om ook een slok te nemen schopt mijn broer mij tegen mijn reet en zegt dat ik er met mijn fikken vanaf moet blijven. Dat ik eerst haren op mijn ballen moet groeien, zoals hij. Dat ik het voor nu hou op bier, als ik weet wat goed voor me is. Echt, hij neemt ’t niet nauw over het algemeen, maar er zijn grenzen. Niet lang geleden speelde ik nog met Lego. Mijn broer bedoelt maar. En Joep laat lachend zijn rossige schaamhaar zien.

 

Vorige week zondag was het toch op vechten uitgelopen. De pil had de dikke man in spijkerbroek niet zacht genoeg gemaakt en toen mijn broer hem rolde tijdens de omhelzing sloeg de man van zich af. En daarna gaf hij mijn broer een kopstoot. Wat er vervolgens gebeurde kon ik niet goed zien omdat het zo snel ging, maar uiteindelijk zat er vijftig euro in mijn portemonnee en een bloedvlek op mijn shirt. Dus toen ik de zak van vader ging vervangen wees hij me daarop. Of de wasmachine nog wel werkte. Die werkte bleek later, maar de vlek ging er niet meer uit. Het shirt gebruiken we nu als theedoek.

 

We lopen al twintig minuten achter de man in pak aan, voordat hij ergens naar binnen gaat. Het flesje water dat mijn broer en Joep deelden is inmiddels op en de halve liter bier die mijn broer onderweg voor me kocht ook bijna. Het laatste beetje is warm en smaakt naar metaal en ik probeer het op te drinken zonder dat mijn gezicht vertrekt. We zien hoe de man een kroeg ingaat en aan de bar gaat zitten. Als niet veel later een andere man naast hem gaat zitten en hem een hand geeft, gaan mijn broer en Joep nog wat blikken bier kopen. Ik blijf achter en kijk naar de mannen aan de bar en voel met mijn hand aan mijn haarloze ballen. Ze zijn ineengekrompen en de huid is gerimpeld. In mijn hoofd teken ik een besneden pik met dikke haren uit de balzak, zoals ik vaak in mijn schriften doe. De man in pak begint steeds meer te knipperen en als mijn broer en Joep terugkomen heeft hij al zeker vier keer het zweet van zijn voorhoofd geveegd. Hij knijpt zijn ogen samen alsof hij moeite heeft met focussen op zijn vriend, alsof het licht in de kroeg te fel is. Joep blijft maar aan zijn lippen likken, als een hond die sambal op zijn snuit heeft, en mijn broer zegt dat het tijd wordt en ik geef hem mijn blikje en ga de kroeg in.

 

Op donderdagen vervangt mijn broer de zak. Dat doet hij altijd ’s ochtends, maar drie weken geleden moest hij het ’s avonds doen, omdat we in de ochtend naar moeder gingen. Het was toen precies twee jaar geleden. Een mooi moment om een kijkje te nemen. Ik zei dat het goed ging en dat ik veel leer de laatste tijd. En mijn broer stampte een plag gras aan. En daarna jatte hij bij de buurman wat bloemen en gaf ze aan moeder. Ik hield mijn handen op mijn rug. Zo stonden we een tijdje.

Zonder iets te zeggen grits ik de telefoon van de bar en ren weg. Ik weet dat de man in pak volgt. Dat doen ze altijd. Als ik om de hoek ga roept de man dat ik moet stoppen. Dat ik mijn leven niet zeker ben als ik blijf rennen.

De man zweert het me.

En ik ren langs mijn broer en hij schopt me tegen mijn schenen. Met twee handen houd ik de telefoon vast terwijl mijn knokkels over straat schaven. De straatstenen voelen ruw aan en mijn vingers worden warm van het bloed dat naar de wonden stroomt. Mijn hart klopt in mijn vingertoppen. Mijn broer trekt me aan mijn kraag omhoog en pakt de telefoon uit mijn handen. Hij vraagt de man in pak of de telefoon van hem is. De man bedankt mijn broer maar die zegt dat het niets is. Dat hij het echt niet nauw neemt normaal, maar serieus, dit soort tuig, er zijn grenzen. Nee, zegt de man, het was heel goed wat mijn broer had gedaan. Echt, hoe kon hij hem bedanken?  Wilde mijn broer en zijn vriend niet wat drinken? Joep knikt gretig.

En ik? Ik mag maken dat ik wegkom. Ik mag lijden dat ik de man nooit meer zie.

 

Vaders ogen zijn dicht als ik de kamer binnenkom en zijn adem piept en schuurt, als de buurvrouw op zondagochtend. In mijn handen houd ik een koude zak vloeistof die ik net uit de ijskast heb gepakt. Ik hang de zak naast de andere aan de ijzeren standaard. Ik trek het zegel van de verse zak. Ik vul het bovenste gedeelte van de slang met vocht en ontlucht de rest. De pleister op vaders pols peuter ik voorzichtig los en ik dep het gaatje af waar de slang zijn huid in gaat. Ik draai het kraantje van de oude zak dicht en trek de slang eruit. Voordat ik de nieuwe erin kan duwen opent vader zijn ogen. Of ik mijn handen wel heb gewassen. Ik knik.

Hij had het heus wel door. Het is zondag immers.

 

Verscheen eerder in Tijdschrift Ei / Illustraties door The Garlic Myth

0 comments
Submit comment